≈ Terzijdes

≈ Techcrunch en het fonds van Michael Arrington

Een journalist van een tech-nieuwssite, mag die ook een partner zijn in een fonds dat investeert in de bedrijven waar de site over schrijft? Mike Arrington van Techcrunch die een het investeringsfonds Crunchfund gaat oprichten, denkt van wel. Zijn werkgever Aol. dacht dat ook, maar nu precies niet meer.

Er is al genoeg inkt over gevloeid en de storm zal niet direct gaan liggen. Maar als je een artikel leest, laat het dan het artikel van Alexis Madrigal zijn op de site van The Atlantic.

TechCrunch’s team is proposing that their own version of journalism, in which some pieces of the ethical machine have been tightened up (e.g. more transparency) while others have been loosened (e.g. investing in companies you cover is OK), is just as good as the Times’ version. It certainly is cheaper and faster, but it gains those advantages by devolving responsibility to the individual, not the publication. It’s every woman for herself. And we know how well that has worked out for the trade publications.

Alexis Madrigal.

Je zou het kunnen minimaliseren. Een enfant terrible in de journalistiek gaat zijn boekje te buiten. Maar dat is pas het begin. Journalistiek gaat door een identiteitscrisis omdat het haar monopolie op distributie van nieuws is kwijtgespeeld.

Politici, experts, insiders, etc… kunnen nu ook hun eigen informatie verspreiden en vaak zullen zij zaken produceren die qua kwaliteit absoluut niet onderdoen voor wat door journalisten wordt geproduceerd. En dit klimaat probeert Arrington de spelregels voor de journalistiek her uit te vinden.

September 6th, 2011  |  Published in ≈ Terzijdes
Tags: , ,

≈ dS Weekblad en bewerkte artikels

“Good writers borrow from other writers. Great writers steal from them outright.”

The West Wing, S04E02

Iedereen die op een redactie werkt, is er wellicht mee vertrouwd: Je krijgt een fotokopie van een artikel uit een buitenlandse krant of magazine waar “Even overleggen” op is gekrabbeld door een coördinator of een hoofdredacteur.

Dat is de oorsprong van veel artikels in magazines of weekendbijlagen van kranten. Het gaat vaak om de zogenaamde ‘tijdloze’ verhalen die ergens anders worden opgepikt en dan vertaald en/of bewerkt al dan niet met bronvermelding. Als je een beetje de buitenlandse kwaliteitspers volgt, heb je vaak een déjà vu gevoel bij het lezen van Vlaamse magazines en kranten.*

Bij dS Weekblad is dat niet anders. Zo gaat het coververhaal over dat een ouder de ontwikkeling van zijn kinderen kan schaden door ze krampachtig gelukkig willen te maken. Het stuk verwijst onder meer naar een “ophefmakend artikel” in The Atlantic.

Het is er in dS Weekblad duidelijk op geïnspireerd, maar de journaliste in kwestie heeft artikel niet zo maar vertaald. Er komen nog 3 andere bronnen en 2 experts in het artikel voor. Zo zou journalistiek meer moeten zijn.**

Soms is er geen tijd of ruimte voor een dergelijke grondige herwerking en is het item in kwestie grondig vertaald of ingekort. De reden is simpel. Om een item op papier te publiceren zijn er veel meer mensen nodig dan wanneer het online wordt gezet.

In het beste geval heb je een journalist, een eindredacteur, een corrector, een layouter, een zetter, iemand die de kleuren van de inkt kalibreert voor het papier, een drukker en een drukpers die al gauw tientallen miljoenen euro kost. Bovendien zijn er dan nog ondersteunende diensten zoals de distributie, sales, marketing, abonnementendienst, etc…

Om die complexe economie van productie en distributie van informatie in stand te houden, moeten er keuzes worden gemaakt. En vaak betekent dat je als journalist je wel heel erg moet ‘inspireren’ op andermans werk.

In een ideale wereld zou je voor iedere reportage ter plaatse kunnen gaan, maar die investeringen zijn vaak economisch niet verantwoord. Een letterlijke vertaling betekent auteursrechten en kost snel honderden euro’s. Het is vaak goedkoper om een eigen journalist een nieuw stuk over hetzelfde onderwerp te laten maken. En daardoor komt het dat afschrijven een realiteit is in de print. Met middelmatige journalistiek als resultaat.

Het probleem zou een stuk eleganter kunnen worden opgelost, mocht je in de print kunnen linken (en je lezers vlot meertalig zijn) zoals online. Dan zou je er gewoon uit kunnen citeren en naartoe verwijzen, eventueel aangevuld met extra informatie. Niets houd je tegen om in dit ‘blogformat’ ook nog eens rond te bellen.

Maar dat zit er precies niet in. Online nemen printmedia vaak gewoon de manieren van papier over. Niet linken, geen of weggemoffelde verwijzingen naar de concurrentie en vooral doen alsof we zelf het warm water hebben uitgevonden.

* Misschien nog een tip voor studenten journalistiek: Iedere journalist en dus ook hoofdredacteur heeft een dada. De een leest The Economist van voor naar achter. De ander gaat nergens heen zonder zijn exemplaar van The Financial Times of The New Yorker. Doe jezelf een plezier, vind zo snel mogelijk uit wat het favoriete leesvoer is van je stagebegeleider. Dat kan de introductie vergemakkelijken.

** Voor alle duidelijkheid, DS Weekblad is goed. Hier en daar moet er nog aan worden gevijld en ik vind dat er wel sterkere stukken of toch items met iets meer actualiteitswaarde in staan die de hoofdrol op de cover verdienden. Maar wellicht zal het magazine wel in den treure “gefocustgroept” zijn geweest. In ieder geval hoe meer goede journalistiek, hoe beter.

August 28th, 2011  |  Published in ≈ Terzijdes
Tags:

≈ #lezenswaardig

Op de recente Barcamp Ghent heb ik een korte presentatie gegeven over de longform-beweging in de (Angelsaksische) online journalistiek. Ongeveer samen de doorbraak van tools zoals Instapaper en Read It Later, is het delen van langere reportages of andere vormen van kwaliteitsjournalistiek een stuk populairder geworden.

Zo werden interessante, lange items op twitter gedeeld met de hashtag #longreads. Ondertussen is dat zo populair geworden, dat er verschillende sites zijn ontstaan die exclusief gewijd zijn aan longform-journalistiek: longform.org, longreads.com, byliner.com.

De zichtbaarheid van Nederlandstalige reportagejournalistiek is online redelijk beperkt. Zo is er nog geen longform-tag. Daarom had ik op Barcamp voorgesteld dat we vanaf nu interessante, langere items op Nederlandstalige sites zouden kunnen delen op Twitter met de hashtag #lezenswaardig. (Van mij part mag dat ook een andere hashtag zijn.) Ik had de twitter-account — @lezenswaardig — geregistreerd en zou die interessante links daarop verzamelen. Dat is een belofte die ik niet heb nakomen.

Het was voor mij ten eerste een slecht moment om dat project te lanceren. Het was zeer druk op professioneel vlak en ik ben kort na Barcamp naar Portugal op vakantie vertrokken. Bovendien is het aanbod van stukken online erg beperkt. De markt is erg klein. Als ik terug ben van de VS ga ik het nog eens proberen.

Ik wil in de eerste plaats een manier vinden om interessante journalistiek te vinden van Nederlandstalige media. Het is niet de bedoeling om daar een soort cultuurpaus te vinden. Er is veel gekanker over de kwaliteit van de journalistiek. Dat is geregeld terecht, maar gebruikers zijn zelf ook niet zonder zonden. De manier waarop nu wordt gemeten, maakt geen ondertussen tussen een item over de derrière van Pipa of een uitgebreid relaas van de eerste onderhandelingen tussen Elio Di Rupo en Bart De Wever.

Zoiets mondt uit in de tirannie van de pageview en zorgt voor heel wat oppervlakkig nieuws. Mediabedrijven gaan pas meer gestofeerde stukken online publiceren als ze merken dat er een markt voor is. Wanneer items specifiek worden gedeeld met de bedoeling om diepgaande journalistiek te signaleren, wordt dat extra engagement een beetje meer meetbaar.

Dus in plaats van verzuurd te reageren op Twitter en op Facebook waarom nieuwssites weeral over de derrière van Pipa schrijven, is het misschien beter er een ander stuk met meer diepgang te delen. Dat is een veel effectievere guerilla-tactiek.

Gegroet,
Stijn F. van het, eh, Quality Journalism Liberation Front.

August 22nd, 2011  |  Published in ≈ Terzijdes
Tags: , ,

≈ Over een verloving, een carrièreswitch en jetlag

Bon, het is hier kwart na 5 in de morgen in San Francisco. En ik ben klaarwakker dankzij de jetlag. Ik ben hier gisteren of eergisteren, afhankelijk van de tijdzone, gearriveerd voor een persreis bij enkele bedrijven in Silicon Valley.

Ik ben nogal gedesoriënteerd, maar dat is misschien het ideale moment om deze site weer eens wat leven in te blazen met wat huishoudelijke mededelingen. 2011 is nu al een zot jaar.

Ten eerste, ik ben verloofd! Ik weet eigenlijk niet goed wat ik moet zeggen. Omdat als ik erover begin, er zo veel wil vertellen. Maar dit is hier noch het beste medium, noch het geschikte publiek voor een dergelijk ellenlang exposé. Laten we het hier ophouden: In de zomer van 2012 ga ik trouwen met iemand die ik niet meer uit mijn leven zou kunnen wegdenken.

Ten tweede, mijn schrijfsels verschijnen nu ook op dode bomen. Sinds begin augustus ben ik officieel redacteur voor Trends Magazine (financieel-economische berichtgeving). Mijn sector is de retailsector, maar ik word ook ingeschakeld voor ICT (vandaar de trip naar San Francisco) en media.

Afgelopen maanden kon je al stukken van mij in Trends lezen, toen was er nog een overgangsfase waar ik mijn functies bij de webredactie aan het overdragen was.

Het is geen gemakkelijke beslissing geweest. Ik had er een job die geen dag dezelfde was, met toffe collega’s en veel vrijheid. Maar het afgelopen jaar was er iets aan het knagen. Misschien komt het omdat ik de 30 zie naderen.

In de 3,5 jaar dat ik werk, heb ik steeds tussen 2 verschillende stoelen gezeten. Ik was journalist, maar ook iemand die ‘iets met internet’ deed. Dat is nog steeds de beste omschrijving denk ik. Dat was een tijd goed te combineren, en ik heb de voorbije jaren al sukkelend enorm veel ervaring opgedaan. Ik kon mijn journalistieke vaardigheden bijschaven en leerde ook zaken zoals nieuwe functionaliteiten bedenken voor ons cms.

Maar op een bepaald moment bots je op je grenzen. Ik vond van mezelf dat ik niet meer beter werd, dat ik minder bijleerde. Eigenlijk wist ik al sinds vorige zomer dat ik een keuze moest maken. Ofwel leg ik me toe op de journalistiek, ofwel verdiep ik me verder in product- en projectmanagement. Zo’n beetje aanmodderen en af en toe iets oppikken is geen optie. Door een gebrek aan focus blijven er te veel zaken liggen, en verlies je momentum en je passie.

Afgelopen herfst werd dat besef nog een stuk groter. Door enkele wissels aan de top, kreeg ik onverwacht de verantwoordelijkheid over de Nederlandstalige magazinesites. Het is een bevreemdende ervaring om opeens te moeten beslissen over de vakantieplannen van een 8-tal collega’s.

Ik had vanaf het begin gezegd dat ik dat op voorlopige basis wilde doen. Omdat ik niet echt zeker was of ik dat operationeel wel zou kunnen bolwerken. Dat ging redelijk, al ik had niet echt het gevoel dat ik de zaken een niveau hoger kon tillen.

Het status quo handhaven, dat kon ik. Maar op korte termijn een nieuwe dynamiek ontketenen, lag buiten mijn mogelijkheden. Misschien dat het na een jaar ervaring (lees: aanmodderen), wel zou lukken om een versnelling hoger te schakelen. Zo’n functie mag echter geen stageplaats zijn, zeker niet in deze sector en op dit moment. Slotsom: ik deed het graag, maar ik vond dat ik er niet klaar voor was.

Daarom heb ik rond het jaareinde gezegd dat ik er geen probleem mee zou hebben om een stap terug te zetten. Gelukkig is er een snel een opvolger gevonden die op alle vlakken stukken beter is dan ik. Bovendien klikte het nog ook en kon ik mijn coordinerende bevoegdheden snel ovedragen. Het resultaat mag er zijn.

De magazinesites groeien sterk en operationeel staan we er veel beter voor. De afgelopen maanden zijn er fouten gemaakt, en er is nog lange weg af te leggen. Maar als ik kijk naar de progressie die er is gemaakt, kan je niet anders dan erg optimistisch zijn. De sites hebben weer een toekomst en dat is het belangrijkste.

Maar persoonlijk bleef het knagen. Ik kan namelijk niet makkelijk kiezen, en ik zeg ook niet graag neen. Ik bleef nog steeds zweven tussen het journalistieke en de technische kant van de zaken. En ik vond dat ik op beide vlakken te lang ter plaatse bleef trappelen.

En op dat moment kreeg ik het aanbod te verhuizen naar Trends Magazine. Dat was nogmaals geen gemakkelijke beslissing. Maar als ik echt moet kiezen tussen een stuk schrijven of morrelen aan een cms, dan ligt mijn hart toch bij de journalistiek. En zolang ik op de webredactie zou blijven zitten, zou ik mezelf niet kunnen beheersen om mij met de technische kant van de zaak bezig te houden, te bemoeien.

Nu kan ik mij op het journalistiek toeleggen, want ik moet nog erg veel leren. Dat gaat van contacten leggen en inlezen tot leren een boekhoudigkundige balans en een jaarrekening analyseren. Dat was even wennen en het is ook gedeeltelijk een reden voor de lange radiostilte op deze site.

De overstap betekent niet dat ik online journalistiek loslaat. Bij Trends zijn de muren tussen print en online grotendeels gesloopt. Iets wat bij andere redacties niet altijd het geval is. En hoewel we door onze beperkte ploeg het niet altijd gemakkelijk hebben, proberen we toch iedere dag online ook meerwaarde te bieden.

Ik heb nog belachelijk weinig ervaring, en ben dus ook niet echt geschikt om veel carrière-advies te geven. Maar laat ik dat toch doen: Vroeg of laat weet je waar je echt naar toe wil. En dat moet je durven beslissen.

Eerlijk, er komt veel toeval bij te kijken en het is af en toe erg frustrerend. Maar voor mij is het goed uitgedraaid. Ik sta voor 2 enorme avonturen.

Dit wordt genieten.

(De carriereswitch heeft ook gevolgen voor deze site, maar dat is voor een andere post. Binnenkort. Beloofd.)

August 21st, 2011  |  Published in ≈ Terzijdes
Tags: ,

≈ De wereld is een dorp

Ik ben er al zo gewend aan geraakt dat ik een hele bibliotheek in mijn vestzak zitten heb en overal ter wereld een nieuw boek kan kopen.

Jammer genoeg wordt niet elk boek digitaal aangeboden.

Zo ben ik enorm benieuwd naar Powering the Dream: The History and Promise of Green Technology van Alexis Madrigal. Hij stelt overigens ook de uitstekende Technologie-rubriek samen bij The Atlantic. Helaas nog geen Kindle-versie.

Als ik het vraag op het forum van Amazon krijg ik antwoord van de auteur zelf.

“Hi, Alexis Madrigal here. There will be a Kindle version. My publisher sent it over to Amazon a while back and we’re just waiting for it to come available. My guess is that will happen by the official pub date (March 29). Sorry for the inconvenience! I wish you could buy it right now for the Kindle.”

Alexis Madrigal

Wonderbaarlijk.

March 17th, 2011  |  Published in ≈ Terzijdes
Tags: , ,

≈ Instapaper

Het is mij pas enkele weken geleden opgevallen, dat je met Instapaper ook items kan opslaan die enkel met een registratie toegankelijk zijn. (Je moet natuurlijk wel toegang hebben tot die afgesloten secties.

What part of Instapaper’s infrastructure are you most proud of?

The bookmarklet has a mechanism to save pages from sites that require logins for full content, such as the Wall Street Journal and Harper’s, by sending a copy of the page’s HTML from the customer’s browser to the server. It’s like automating the “Save as…” menu item: if you have your own account for these sites and can see the page in your browser, you can save it to Instapaper.

Marco Arment bij Rands In Repose.

Geniaal.

February 19th, 2011  |  Published in ≈ Terzijdes
Tags: , ,

≈ Even geduld, uw app wordt gedrukt

Als er ergens een nieuw project uit de grond wordt gestampt om, eh, kwaliteitsjournalistiek/slow journalism/longform journalism te redden, dan begint mijn visa-kaart al te zuchten.

De laatste tijd is het apps, apps, apps en nog eens apps wat de klok slaat. Een van de meer recente projecten is The Atavist, opgericht door onder meer journalisten van Wired en The New Yorker.

Via The Atavist koop je journalistieke reportages op een platform naar keuze. Qua lengte schipperen die verhalen ergens tussen een lang magazine-artikel en een boek. De tekst wordt ook verrijkt met multimedia.

Toen ik dit wilde uittesten op mijn iPod Touch, heeft het 3 dagen geduurd eer ik verder raakte dan dit scherm:

The Atavist - Downloading...

Het zijn niet alleen indie-projecten die kampen met performantie-problemen om al die toeters en bellen aan de app-gebruiker te bezorgen. Ook de nieuwe iPad-krant van Rupert Murdoch heeft er last van.

At that point, it’s already a lost cause. There’s nothing the actual content or interface of the app can do to make up for the fact that it takes way too long to see anything at all. Imagine a paper newspaper that was wrapped in an envelope, and the envelope was so difficult to open that it took over a minute before you could see the front page of the issue. Who would buy that newspaper? No one, that’s who. And I suspect that’s who’s going to read The Daily, unless they fix this, and soon.

Jon Gruber, Daring Fireball.

Nick Bilton van The New York Times nam zelfs de proef op de som: print wint.

This morning I decide to try a little experiment: I opened up my iPad, clicked on the little Wired icon and purchased the magazine’s latest digital issue. After I agreed to fork over $4, it began downloading. For the next phase of the experiment, I grabbed my car keys, left my apartment and drove about 12 blocks to a local magazine store in Brooklyn, where I also purchased the latest issue of Wired magazine, this time in print.

Nick Bilton, NY Times.

In essentie gaat het om product design. Uitgevers maken een strategische keuze om apps aan te bieden waar ze de inhoud uit print verrijken met extra’s (weergave van in de print, video, beeld, etc…).

Die keuze zorgt er voor dat die digitale edities snel enkele honderden megabytes bedragen, met alle performantie-problemen van dien voor de gebruiker.

Maar is verrijkt papier dat wat gebruikers willen op hun mobiele toestellen? Zouden ze niet al erg tevreden zijn met een snelle en strakke app die enkel de inhoud weergeeft?

February 5th, 2011  |  Published in ≈ Terzijdes
Tags: , , , , , ,

≈ Digitaal analfabetisme

Ik vind het altijd jammer als ik een stuk lees waar woorden zoals “meeste”, “veel” excessief worden gebruikt op plaatsen waar concrete data zou moeten staan. Maar here it goes…

Er zijn tools waar die je vanaf het eerste gebruik onmisbaar vindt. In 2010 was dat voor mij de Instapaper-app op mijn iPod Touch en mijn Kindle. Ik heb veel meer gelezen dan in 2009.

Combineer die tools met RSS en Twitter en het is mogelijk om tot een evenwichtig media-dieet te komen van hapklare brokken informatie en, eh, slow journalism.

En het is om depressief van te worden dat er zo weinig van gebruik wordt gemaakt.

Twitter stelt niet al te veel voor in België, RSS is een beetje ingeburgerd. 2 tools die essentieel zijn om interessante dingen op het internet te ontdekken.

Tools zoals Readability, Instapaper zijn al helemaal niet bekend.

Door dat digitaal analfabetisme is er een enorm Mattheus-effect bij internetgebruikers. Het is slechts een minderheid die weet hoe ze de juiste informatie kan vinden.

January 9th, 2011  |  Published in ≈ Terzijdes
Tags: ,
December 31st, 2010  |  Published in ≈ Terzijdes
Tags:

≈ Gawker & Pictory: op naar hogere advertentietarieven

Het blognetwerk Gawker heeft een ingrijpende redesign aangekondigd van haar sites. Het komt er op neer dat de sites hun scoops beter kunnen uitspelen en dat de site zo aantrekkelijker wordt voor gebruikers en adverteerders.

Veruit de beste analyse over de redesign en redactionele evolutie van het Gawker Media is die van Felix Salmon.

Volgens Salmon wil CEO Nick Denton van Gawker Media met een nieuwe layout en redactioneel concept een structurele fout aanpakken in het businessmodel van sites die volledig leven van advertentie-inkomsten.

Het aanbod van de advertentieruimte groeit sneller dan de vraag er naar. Dat weegt op de advertentietarieven, de kost per 1000 impressies (cpm).

The CPM game, then, is looking increasingly like a race to the bottom, where publishers desperately try every trick in the book to boost their pageviews and ad impressions, just to compensate for the fact that their revenues per page are very small.

The results — sensationalism, salaciousness, and slideshows — only serve to further erode the value of the sites in the eyes of advertisers, and put ever more downward pressure on those CPMs. It’s a vicious cycle, and Denton has decided that now is the time to break it: no longer does he want to deal with advertisers looking idiotically at clickthrough rates.

Felix Salmon.

Nieuwssites of andere sites die hun content proberen te monetiseren, moeten dus steeds op zoek extra pageviews, pageviews die echter minder en minder opbrengen.

Dat leidt tot een spervuur van berichtjes waar de kwantiteit belangrijker is dan de kwaliteit; hamster-journalistiek.

Weg van de hamster-journalistiek

Het cpm-model zorgt er voor dat sites die enkel hoogwaardige content leveren, het heel moeilijk hebben om een deftig advertentiemodel op te zetten. Dergelijke sites mogen dan wel een hoog bezoekersaantal hebben, ze creëren gewoonweg te weinig trafiek om rendabel te zijn aan de huidige advertentietarieven.

Genoeg bezoekers hebben is niet genoeg, die bezoekers moeten zich dan ook nog eens doodklikken op een overvloed van berichten.

Hoe raak je dan in godsnaam weg van dat soort hamster-journalistiek? Als blijkt dat slechts een minderheid van je lezers overweegt te betalen voor online nieuws en het cpm-model de advertentietarieven devalueert?

De uitdaging bestaat er dus in hogere advertentietarieven te kunnen vragen. Nick Denton zet zijn geld op video-advertenties in een lay-out waar ze zo goed mogelijk tot hun recht zullen komen. Maar er zijn nog andere mogelijkheden.

De glossy-advertenties van Pictory

Pictory, een van mijn favoriete foto-sites, experimenteert sinds vandaag met advertenties die veel weg hebben van glossy-advertenties in de print.

Every time, I stubbornly held on to this ad model: big, beautiful photo-based ads with the designer and photographer of the ad credited. I believed if I could pull that off, I could make a home for great advertising on the web.

Laura Brunow Miner

Op dagen zoals deze ben ik een beetje hoopvol dat het toch mogelijk is. Een businessmodel op basis van advertenties dat kwaliteitsjournalistiek kan ondersteunen.

December 1st, 2010  |  Published in ≈ Terzijdes
Tags: , , , ,

Filmpjes

Recente items


Foto's

www.flickr.com

Over mezelf

Welkom op de persoonlijke website van Stijn F. Ik heb geschiedenis gestudeerd aan de Universiteit Gent. Daarna volgde ik de Masterclass Journalistiek aan de Erasmushogeschool Brussel waar ik stage liep bij Knack en bij De Tijd. Nu werk ik als internetredacteur.

Contact: stijnf apenstaart gmail punt com

Vroeger was ik beter