≈ Techcrunch en het fonds van Michael Arrington

Een journalist van een tech-nieuwssite, mag die ook een partner zijn in een fonds dat investeert in de bedrijven waar de site over schrijft? Mike Arrington van Techcrunch die een het investeringsfonds Crunchfund gaat oprichten, denkt van wel. Zijn werkgever Aol. dacht dat ook, maar nu precies niet meer.

Er is al genoeg inkt over gevloeid en de storm zal niet direct gaan liggen. Maar als je een artikel leest, laat het dan het artikel van Alexis Madrigal zijn op de site van The Atlantic.

TechCrunch’s team is proposing that their own version of journalism, in which some pieces of the ethical machine have been tightened up (e.g. more transparency) while others have been loosened (e.g. investing in companies you cover is OK), is just as good as the Times’ version. It certainly is cheaper and faster, but it gains those advantages by devolving responsibility to the individual, not the publication. It’s every woman for herself. And we know how well that has worked out for the trade publications.

Alexis Madrigal.

Je zou het kunnen minimaliseren. Een enfant terrible in de journalistiek gaat zijn boekje te buiten. Maar dat is pas het begin. Journalistiek gaat door een identiteitscrisis omdat het haar monopolie op distributie van nieuws is kwijtgespeeld.

Politici, experts, insiders, etc… kunnen nu ook hun eigen informatie verspreiden en vaak zullen zij zaken produceren die qua kwaliteit absoluut niet onderdoen voor wat door journalisten wordt geproduceerd. En dit klimaat probeert Arrington de spelregels voor de journalistiek her uit te vinden.

September 6th, 2011  |  Published in ≈ Terzijdes
Tags: , ,

≈ dS Weekblad en bewerkte artikels

“Good writers borrow from other writers. Great writers steal from them outright.”

The West Wing, S04E02

Iedereen die op een redactie werkt, is er wellicht mee vertrouwd: Je krijgt een fotokopie van een artikel uit een buitenlandse krant of magazine waar “Even overleggen” op is gekrabbeld door een coördinator of een hoofdredacteur.

Dat is de oorsprong van veel artikels in magazines of weekendbijlagen van kranten. Het gaat vaak om de zogenaamde ‘tijdloze’ verhalen die ergens anders worden opgepikt en dan vertaald en/of bewerkt al dan niet met bronvermelding. Als je een beetje de buitenlandse kwaliteitspers volgt, heb je vaak een déjà vu gevoel bij het lezen van Vlaamse magazines en kranten.*

Bij dS Weekblad is dat niet anders. Zo gaat het coververhaal over dat een ouder de ontwikkeling van zijn kinderen kan schaden door ze krampachtig gelukkig willen te maken. Het stuk verwijst onder meer naar een “ophefmakend artikel” in The Atlantic.

Het is er in dS Weekblad duidelijk op geïnspireerd, maar de journaliste in kwestie heeft artikel niet zo maar vertaald. Er komen nog 3 andere bronnen en 2 experts in het artikel voor. Zo zou journalistiek meer moeten zijn.**

Soms is er geen tijd of ruimte voor een dergelijke grondige herwerking en is het item in kwestie grondig vertaald of ingekort. De reden is simpel. Om een item op papier te publiceren zijn er veel meer mensen nodig dan wanneer het online wordt gezet.

In het beste geval heb je een journalist, een eindredacteur, een corrector, een layouter, een zetter, iemand die de kleuren van de inkt kalibreert voor het papier, een drukker en een drukpers die al gauw tientallen miljoenen euro kost. Bovendien zijn er dan nog ondersteunende diensten zoals de distributie, sales, marketing, abonnementendienst, etc…

Om die complexe economie van productie en distributie van informatie in stand te houden, moeten er keuzes worden gemaakt. En vaak betekent dat je als journalist je wel heel erg moet ‘inspireren’ op andermans werk.

In een ideale wereld zou je voor iedere reportage ter plaatse kunnen gaan, maar die investeringen zijn vaak economisch niet verantwoord. Een letterlijke vertaling betekent auteursrechten en kost snel honderden euro’s. Het is vaak goedkoper om een eigen journalist een nieuw stuk over hetzelfde onderwerp te laten maken. En daardoor komt het dat afschrijven een realiteit is in de print. Met middelmatige journalistiek als resultaat.

Het probleem zou een stuk eleganter kunnen worden opgelost, mocht je in de print kunnen linken (en je lezers vlot meertalig zijn) zoals online. Dan zou je er gewoon uit kunnen citeren en naartoe verwijzen, eventueel aangevuld met extra informatie. Niets houd je tegen om in dit ‘blogformat’ ook nog eens rond te bellen.

Maar dat zit er precies niet in. Online nemen printmedia vaak gewoon de manieren van papier over. Niet linken, geen of weggemoffelde verwijzingen naar de concurrentie en vooral doen alsof we zelf het warm water hebben uitgevonden.

* Misschien nog een tip voor studenten journalistiek: Iedere journalist en dus ook hoofdredacteur heeft een dada. De een leest The Economist van voor naar achter. De ander gaat nergens heen zonder zijn exemplaar van The Financial Times of The New Yorker. Doe jezelf een plezier, vind zo snel mogelijk uit wat het favoriete leesvoer is van je stagebegeleider. Dat kan de introductie vergemakkelijken.

** Voor alle duidelijkheid, DS Weekblad is goed. Hier en daar moet er nog aan worden gevijld en ik vind dat er wel sterkere stukken of toch items met iets meer actualiteitswaarde in staan die de hoofdrol op de cover verdienden. Maar wellicht zal het magazine wel in den treure “gefocustgroept” zijn geweest. In ieder geval hoe meer goede journalistiek, hoe beter.

August 28th, 2011  |  Published in ≈ Terzijdes
Tags:

≈ #lezenswaardig

Op de recente Barcamp Ghent heb ik een korte presentatie gegeven over de longform-beweging in de (Angelsaksische) online journalistiek. Ongeveer samen de doorbraak van tools zoals Instapaper en Read It Later, is het delen van langere reportages of andere vormen van kwaliteitsjournalistiek een stuk populairder geworden.

Zo werden interessante, lange items op twitter gedeeld met de hashtag #longreads. Ondertussen is dat zo populair geworden, dat er verschillende sites zijn ontstaan die exclusief gewijd zijn aan longform-journalistiek: longform.org, longreads.com, byliner.com.

De zichtbaarheid van Nederlandstalige reportagejournalistiek is online redelijk beperkt. Zo is er nog geen longform-tag. Daarom had ik op Barcamp voorgesteld dat we vanaf nu interessante, langere items op Nederlandstalige sites zouden kunnen delen op Twitter met de hashtag #lezenswaardig. (Van mij part mag dat ook een andere hashtag zijn.) Ik had de twitter-account — @lezenswaardig — geregistreerd en zou die interessante links daarop verzamelen. Dat is een belofte die ik niet heb nakomen.

Het was voor mij ten eerste een slecht moment om dat project te lanceren. Het was zeer druk op professioneel vlak en ik ben kort na Barcamp naar Portugal op vakantie vertrokken. Bovendien is het aanbod van stukken online erg beperkt. De markt is erg klein. Als ik terug ben van de VS ga ik het nog eens proberen.

Ik wil in de eerste plaats een manier vinden om interessante journalistiek te vinden van Nederlandstalige media. Het is niet de bedoeling om daar een soort cultuurpaus te vinden. Er is veel gekanker over de kwaliteit van de journalistiek. Dat is geregeld terecht, maar gebruikers zijn zelf ook niet zonder zonden. De manier waarop nu wordt gemeten, maakt geen ondertussen tussen een item over de derrière van Pipa of een uitgebreid relaas van de eerste onderhandelingen tussen Elio Di Rupo en Bart De Wever.

Zoiets mondt uit in de tirannie van de pageview en zorgt voor heel wat oppervlakkig nieuws. Mediabedrijven gaan pas meer gestofeerde stukken online publiceren als ze merken dat er een markt voor is. Wanneer items specifiek worden gedeeld met de bedoeling om diepgaande journalistiek te signaleren, wordt dat extra engagement een beetje meer meetbaar.

Dus in plaats van verzuurd te reageren op Twitter en op Facebook waarom nieuwssites weeral over de derrière van Pipa schrijven, is het misschien beter er een ander stuk met meer diepgang te delen. Dat is een veel effectievere guerilla-tactiek.

Gegroet,
Stijn F. van het, eh, Quality Journalism Liberation Front.

August 22nd, 2011  |  Published in ≈ Terzijdes
Tags: , ,

≈ Instapaper

Het is mij pas enkele weken geleden opgevallen, dat je met Instapaper ook items kan opslaan die enkel met een registratie toegankelijk zijn. (Je moet natuurlijk wel toegang hebben tot die afgesloten secties.

What part of Instapaper’s infrastructure are you most proud of?

The bookmarklet has a mechanism to save pages from sites that require logins for full content, such as the Wall Street Journal and Harper’s, by sending a copy of the page’s HTML from the customer’s browser to the server. It’s like automating the “Save as…” menu item: if you have your own account for these sites and can see the page in your browser, you can save it to Instapaper.

Marco Arment bij Rands In Repose.

Geniaal.

February 19th, 2011  |  Published in ≈ Terzijdes
Tags: , ,

≈ Even geduld, uw app wordt gedrukt

Als er ergens een nieuw project uit de grond wordt gestampt om, eh, kwaliteitsjournalistiek/slow journalism/longform journalism te redden, dan begint mijn visa-kaart al te zuchten.

De laatste tijd is het apps, apps, apps en nog eens apps wat de klok slaat. Een van de meer recente projecten is The Atavist, opgericht door onder meer journalisten van Wired en The New Yorker.

Via The Atavist koop je journalistieke reportages op een platform naar keuze. Qua lengte schipperen die verhalen ergens tussen een lang magazine-artikel en een boek. De tekst wordt ook verrijkt met multimedia.

Toen ik dit wilde uittesten op mijn iPod Touch, heeft het 3 dagen geduurd eer ik verder raakte dan dit scherm:

The Atavist - Downloading...

Het zijn niet alleen indie-projecten die kampen met performantie-problemen om al die toeters en bellen aan de app-gebruiker te bezorgen. Ook de nieuwe iPad-krant van Rupert Murdoch heeft er last van.

At that point, it’s already a lost cause. There’s nothing the actual content or interface of the app can do to make up for the fact that it takes way too long to see anything at all. Imagine a paper newspaper that was wrapped in an envelope, and the envelope was so difficult to open that it took over a minute before you could see the front page of the issue. Who would buy that newspaper? No one, that’s who. And I suspect that’s who’s going to read The Daily, unless they fix this, and soon.

Jon Gruber, Daring Fireball.

Nick Bilton van The New York Times nam zelfs de proef op de som: print wint.

This morning I decide to try a little experiment: I opened up my iPad, clicked on the little Wired icon and purchased the magazine’s latest digital issue. After I agreed to fork over $4, it began downloading. For the next phase of the experiment, I grabbed my car keys, left my apartment and drove about 12 blocks to a local magazine store in Brooklyn, where I also purchased the latest issue of Wired magazine, this time in print.

Nick Bilton, NY Times.

In essentie gaat het om product design. Uitgevers maken een strategische keuze om apps aan te bieden waar ze de inhoud uit print verrijken met extra’s (weergave van in de print, video, beeld, etc…).

Die keuze zorgt er voor dat die digitale edities snel enkele honderden megabytes bedragen, met alle performantie-problemen van dien voor de gebruiker.

Maar is verrijkt papier dat wat gebruikers willen op hun mobiele toestellen? Zouden ze niet al erg tevreden zijn met een snelle en strakke app die enkel de inhoud weergeeft?

February 5th, 2011  |  Published in ≈ Terzijdes
Tags: , , , , , ,

≈ Gawker & Pictory: op naar hogere advertentietarieven

Het blognetwerk Gawker heeft een ingrijpende redesign aangekondigd van haar sites. Het komt er op neer dat de sites hun scoops beter kunnen uitspelen en dat de site zo aantrekkelijker wordt voor gebruikers en adverteerders.

Veruit de beste analyse over de redesign en redactionele evolutie van het Gawker Media is die van Felix Salmon.

Volgens Salmon wil CEO Nick Denton van Gawker Media met een nieuwe layout en redactioneel concept een structurele fout aanpakken in het businessmodel van sites die volledig leven van advertentie-inkomsten.

Het aanbod van de advertentieruimte groeit sneller dan de vraag er naar. Dat weegt op de advertentietarieven, de kost per 1000 impressies (cpm).

The CPM game, then, is looking increasingly like a race to the bottom, where publishers desperately try every trick in the book to boost their pageviews and ad impressions, just to compensate for the fact that their revenues per page are very small.

The results — sensationalism, salaciousness, and slideshows — only serve to further erode the value of the sites in the eyes of advertisers, and put ever more downward pressure on those CPMs. It’s a vicious cycle, and Denton has decided that now is the time to break it: no longer does he want to deal with advertisers looking idiotically at clickthrough rates.

Felix Salmon.

Nieuwssites of andere sites die hun content proberen te monetiseren, moeten dus steeds op zoek extra pageviews, pageviews die echter minder en minder opbrengen.

Dat leidt tot een spervuur van berichtjes waar de kwantiteit belangrijker is dan de kwaliteit; hamster-journalistiek.

Weg van de hamster-journalistiek

Het cpm-model zorgt er voor dat sites die enkel hoogwaardige content leveren, het heel moeilijk hebben om een deftig advertentiemodel op te zetten. Dergelijke sites mogen dan wel een hoog bezoekersaantal hebben, ze creëren gewoonweg te weinig trafiek om rendabel te zijn aan de huidige advertentietarieven.

Genoeg bezoekers hebben is niet genoeg, die bezoekers moeten zich dan ook nog eens doodklikken op een overvloed van berichten.

Hoe raak je dan in godsnaam weg van dat soort hamster-journalistiek? Als blijkt dat slechts een minderheid van je lezers overweegt te betalen voor online nieuws en het cpm-model de advertentietarieven devalueert?

De uitdaging bestaat er dus in hogere advertentietarieven te kunnen vragen. Nick Denton zet zijn geld op video-advertenties in een lay-out waar ze zo goed mogelijk tot hun recht zullen komen. Maar er zijn nog andere mogelijkheden.

De glossy-advertenties van Pictory

Pictory, een van mijn favoriete foto-sites, experimenteert sinds vandaag met advertenties die veel weg hebben van glossy-advertenties in de print.

Every time, I stubbornly held on to this ad model: big, beautiful photo-based ads with the designer and photographer of the ad credited. I believed if I could pull that off, I could make a home for great advertising on the web.

Laura Brunow Miner

Op dagen zoals deze ben ik een beetje hoopvol dat het toch mogelijk is. Een businessmodel op basis van advertenties dat kwaliteitsjournalistiek kan ondersteunen.

December 1st, 2010  |  Published in ≈ Terzijdes
Tags: , , , ,

≈ Gepersonaliseerd nieuws

Op de Q&A-site Quora is er een zeer interessante discussie aan de gang waarom sites die gepersonaliseerd nieuws aanbieden niet doorbreken.

Er is onder meer een zeer interessante bijdrage van een product manager van Yahoo:

Yahoo ended up going down that route, and the reason why Frontpage and News verticals are still exceptional successes today is largely due to an algorithmic personalization platform that few are aware of. Some articles have been written about it (called COKE, the Content Optimization Knowledge Engine). Essentially it ranks news & content in the following order:

Most popular (w/ consideration of time-of-day, CTR acceleration, already-viewed stories, etc)

“Light-personalization” (by age, gender, high-level interest)
Deep interest personalization (w/ related content, stories read by similar users, etc

A startup in this space needs an incredibly high critical mass of users, but also powerful (and subtle) personalization to succeed. None have it yet.

AJ Arora

November 20th, 2010  |  Published in ≈ Terzijdes
Tags: , ,

≈ The New Twitter, nog beter voor breaking news

Let’s see what’s on the wires.

Why can’t you wait for newspapers like everybody else?

‘Cause I think it’s productive to know today’s news today.

And it makes me one day smarter than you, which I enjoy as well.

Charlie Wilson’s War

De nieuwe homepage van Twitter is precies nog beter geworden om ‘breaking news’ te volgen.

(…) he expects Twitter will be more like Google than Facebook — a destination for quick visits rather than extended time-wasting and engagement sessions. Twitter users come to the service when they have an extra moment waiting in line, and return throughout the day.

Elman (who previously worked at Facebook) said it’s philosophically important for Twitter that the people don’t necessarily know what they’re looking for when they access the service — they just want to be informed.

Liz Gannes, GigaOm

Vroeger konden enkel journalisten relatief efficiënt verschillende nieuwsbronnen volgen via de telex van Belga of van een ander persagentschap.

Zij waren eigenlijk effectief de enige die gemakkelijk een antwoord konden vinden op de vraag: “Wat gebeurt er nu in de wereld?”

We hebben al RSS-gehad, maar dat is eigenlijk nog een stuk te traag. En nu is er Twitter. Waar iedereen zijn eigen ‘telex’ kan samenstellen.

‘Breaking News’, in gelijk welke niche, is aan het democratiseren. En dat betekent dat het moeilijker en moeilijker zal worden daar geld voor te vragen. In de print en online.

September 15th, 2010  |  Published in ≈ Terzijdes
Tags: ,

≈ Obstakels voor een context-gerichte nieuwssite

Stijn Debrouwere schetst in Hoe ik het nieuws graag zou lezen zijn ideale nieuwssite. Een die de waan van de dag loslaat en die de gebruiker toelaat het nieuws te begrijpen en te kaderen in plaats van het domweg over zich heen gestort te krijgen.

Het komt zeker in de buurt van mijn ideale nieuwssite

Veranderen hoe we een nieuwswebsite structureren en opbouwen draait net om meer doen met minder. Je laat je inhoud niet éénmaal renderen (op de dag van publicatie) maar drie of vijf of tien keer, als deel van databanken, van tijdslijnen, van interactieve kaarten, van achtergrondverhalen en topic pages.

Maar omm daar te raken moeten er nog veel obstakels worden overwonnen. Onder meer:

Bij journalisten

  1. Stijl. Journalisten zijn gewend om te schrijven en te denken in klassiek geworden formats als oprolbare nieuwsbericht, het interview, de reportage etc…

    Het schrijven van een topic-pagina à la Wikipedia is een genre apart, en valt niet te vergelijken met het schrijven van een achtergrond-artikel.

    Kijk overigens maar eens hoe veel moeite hebben sommige journalisten met het concept ‘bloggen’. Dat heeft vaak meer weg van een langgerekte monologue intèrieur.

  2. Vooroordelen. Ze zullen het niet altijd willen toegeven, maar de veel printjournalisten geloven eigenlijk dat er geen serieuze journalistiek mogelijk is op het internet.

    Ze kunnen zich nog net verzoenen met een model waar de site van het medium wordt gebruikt om inhoud te teasen of een primeur niet door een concurrent te laten inpikken.

    Maar in hun ideale wereld lees je de eerste feiten online, de duiding en analyse lees je in de print.

  3. Tijd en discipline om in metadata en relaties te denken. Alle journalisten houden van verhalen vertellen, maar daarvoor zijn ze nog geen fan van metadata.

    Uit eigen ervaring weet ik hoe moeilijk het is journalisten te overtuigen van de voordelen van (eenvoudige) metadata; zoals de plaats waar een gebeurtenis zich afspeelt.

    Bij topic-gerichte journalistiek moet ze niet alleen metadata ingeven, ze moeten ook meedenken. “Moet ik dit niet in een apart item gieten. Hoe koppel ik dit aan elkaar?” Al die zaken vergen tijd en discipline. Journalisten hebben nu niet bepaald tijd over.

  4. Het concept. De mentale switch die je moet maken bij topic-gerichte journalistiek is wellicht het grootste obstakel.

    Een topic-pagina is nooit ‘af’, vandaar dat Google haar experiment Living Stories heeft genoemd of de hyperlokale Amerikaanse startup TBD zichzelf omschrijft als een daad van continous journalism:

    The traditional news culture is that you don’t publish or broadcast a story until all the questionas are answered, all the t’s crossed and i’s dotted. (…) But TBD will never be a finished product. (…) We’ll always be in motion: constantly updating, improving and evolving; seeking more details, reaction or community conversation.

    (De site is er nog niet, maar het ziet er naar uit dat TBD voorlopig met een blog-achtige format zal werken.)

    Nu is het vaak zo dat journalisten een stuk laten ‘rusten’ omdat het nog niet ‘af’ is. Bij topic-gerichte journalistiek valt die afweging grotendeels weg.

    De meeste journalisten zijn overigens gewend stuk na te stuk produceren, zonder echt na te denken hoe al de elementen uit hun stukken zich tot elkaar verhouden. Tekstkakkers, zoals men zichzelf al eens durfde te noemen op mijn vorig werk.

    Online journalistiek wordt bovendien vaak gezien als een soort psychedelische vorm van printjournalistiek; nerveus en chaotisch. In die verengde visie gaan journalisten er van uit online journalistiek van hetzelfde laken een broek is. Printjournalistiek op speed.

    Maar dat is het net niet, online journalistiek kan een veel rijkere vorm van journalistiek zijn. Als je het toelaat.

Voor alle duidelijkheid, zelf ben ik naar mijn goesting nog te verwijderd van de juiste mindset om dergelijke journalistiek goed te kunnen doen.

Nieuwe versus verouderde informatie

Nog meer dan bij een traditoneel nieuwsbericht zal er op een topic-pagina een spanning aan de oppervlakte komen; die tussen de ‘nieuwe’ en de ‘oude’ (maar nog relevante) informatie. Het is het read-state probleem dat voor iedere gebruiker, van een leek tot een expert, kan verschillen.

Bij het tradtionele, korte (en goedgeschreven) nieuwsbericht — dat voorlopig het gros van de journalistieke productie bedraagt op nieuwssites — is er eigenlijk vooral ‘nieuwe’ informatie, of ze is toch direct herkenbaar.

Ongeacht of je het stuk nu echt begrijpt of niet. Je kan direct het ‘nieuws’ ontwaren, dat wat in de titel en in de inleiding staat. Zo zijn we geconditioneerd geraakt omdat de berichtgeving meestal hetzelfde stramien volgt.

Bij een topic-pagina ligt dat al veel moeilijker. “Wat is er bijgekomen, heb ik dit al gelezen, etc?”, dat zijn de vragen die je je bij een topic-pagina stelt.

Zo’n universeel concept als het oprolbaar nieuwsbericht, is er nog niet voor een topic-pagina.

De manieren waarop topic-pagina’s dat verschil nu proberen aan te duiden, vallen uiteen in enkele typen:

  1. Verrijkte tagpagina’s. Tagpagina’s met 1 of 2 inleidende artikels er boven, zijn nu de meest voorkomende vorm van topic-pagina’s. En eigenlijk is dat steeds een beetje van een zwaktebod. In feite worden alle artikels die een beetje over hetzelfde thema gaan op 1 pagina gedumpt, zonder al te veel context. Het succes van zulke tag-pagina’s hangt af van de kwaliteit van het inleidende artikel.
  2. Tijdslijnen. Google’s Living Stories en een item zoals dat van Propublica over het politiegeweld in de nasleep van de orkaan Katrina in New Orleans, maken gebruik van een tijdslijn om de verschillende feiten in een verhaal te ordenen. Dat werkt tot op een bepaald niveau, maar een te gedetailleerde tijdslijn schrikt af en schiet zijn doel voorbij.

    Het centrale content type in Living Stories zijn events. Aan die events kan je prioriteiten toekennen en enkel de hoogste prioriteit komt terecht op de tijdslijn (de rode draad doorheen Living Stories). Maar zoiets werkt slechts tot op een zeker niveau.

  3. Wikipedia. Bij een traditioneel Wikipedia-artikel is de structuur min of meer de volgende: Je hebt een inleiding die zo goed mogelijk het onderwerp probeert samen te vatten en bij updates wordt daar ook al kort het ‘nieuws’ vermeldt. Daarna wordt meestal thematisch gewerkt. Bij een persoon; carrière, bio, etc… Voor een belangrijke gebeurtenis in het leven wordt er meestal een apart onderdeel gemaakt.

    Dat format werkt zeer goed voor een leek. Voor een expert die het onderwerp volgt en waarvan we hopen dat die regelmatig die pagina bezoekt, is het omslachtig voor hem om uit te maken wat nieuws is.

Bij topic-gerichte journalistiek moet je er dus in slagen aan te duiden wat er ‘nieuw(s)’ is voor de gebruiker en dat terwijl de hoeveelheid informatie waaruit de gebruiker het nieuwe voor zichzelf moet filteren substantieel is vergroot.

Bovendien is de drijfveer van de gebruiker altijd om zo veel mogelijk relevantie informatie te verwerken op een zo efficiënt mogelijke manier.

Een slecht opgebouwde topic-pagina kan zowel een leek als een expert afschrikken. En dan zijn we terug bij af.

Facebook

Ik denk dat er nog steeds geen bevredigende oplossing is gevonden voor het converteren van leken naar ‘fans’, experts, etc… die een topic-pagina blijven volgen.

Ik heb al eens een lans gebroken voor de manier waarop versiebeheersystemen zoals GitHub werken.

Het is een elegant model waar je met korte commits kan laten weten hoe je het hoofddocument hebt aangepast. Een topic-pagina zou eigenlijk op dezelfde manier moeten werken.

Maar misschien moeten we nog een beetje verder gaan.

Als we trefwoorden verlaten en uitgebreidere taxonomiën beginnen uit te werken, kunnen we misschien naar het volgende model gaan:

Dit is een pastiche van The Atlantic op Facebook. Stel je eens voor dat je een activiteitenfeed hebt op je site. Een die niet gewoon aanduidt welke artikelen online zijn verschenen, maar een die op een gedetailleerdere manier aanduidt wat er met het nieuwsfeit, persoon, land, etc… aan het gebeuren is. Met updates die steeds terug verwijzen naar de topic-pagina. Zou dat geen nieuwssite zijn die je keer op keer zou bezoeken?

Facebook gebruikt een verschrikkelijk efficiënt model, de newsfeed, om jou en je vrienden in te lichten over elkaars doen en laten. In zo weinig mogelijk tijd verwerk je gigantisch veel informatie.

En dat is net wat je met topic-gerichte journalistiek probeert te bereiken. Je wil iedere leek boeien, de vrees wegnemen dat het allemaal veel te ingewikkeld is en er een expert van maken die het onderwerp op de voet kan volgen op jouw website.

May 24th, 2010  |  Published in ≈ Terzijdes
Tags: , ,

» Links voor 11 mei

Aanrader: The Atlantic brengt een overzicht van de pogingen van Google om de journalistiek te redden: interessante ideeën (onder meer over overhead kosten bij online-advertenties en vaststelling dat alle media hetzelfde nieuws brengen), maar weinig verrassende zaken voor, eh, journo-nerds.

People in our community send us signals about their interests all day long and most go ignored.

Google Agenda van conferenties over de toekomst van de journalistiek™.

It’s that same habit: building systems to break big problems into small tasks. Interessante discussie over de parallellen tussen journalisten en programmeurs tussen voornamelijk journalist-programmeurs.

Journalists don’t all need to be able to write programs, but the ability to think like a programmer is an invaluable skill. Martin Belam, informatie-architect bij The Guardian over IT-kennis bij journalisten. Hij geeft overigens handige tips voor licht-gewicht computer assisted reporting.

Volgens een ex-manager van Microsoft moeten media-sites, lokale nieuwssites in het bijzonder, zich toeleggen op group buys en lessen trekken uit het succes van sites zoals Groupon.com.

It’s a terrible way to read a story, and unless you’re an absolute long-form diehard or the piece is about someone in your immediate family, you’re not going to put up with it. Bedenkers van Longform.org haten artikels die zijn opgesplitst in pagina’s.

Current e-reader owners are also more likely to hold favorable attitudes on the value of magazines.

Non-profit nieuwssite Texas Tribune evalueert haar bezoekercijfers na een halfjaar: 1 op 3 pageviews gaat naar hun databases.

Las Vegas Sun heeft een monitor in haar redactie waar ze live de clicks op hun website kunnen zien passeren.

Maak goede infografieken in 7,5 stappen.

Filmpjes

Recente items


Foto's

www.flickr.com

Over mezelf

Welkom op de persoonlijke website van Stijn F. Ik heb geschiedenis gestudeerd aan de Universiteit Gent. Daarna volgde ik de Masterclass Journalistiek aan de Erasmushogeschool Brussel waar ik stage liep bij Knack en bij De Tijd. Nu werk ik als internetredacteur.

Contact: stijnf apenstaart gmail punt com

Vroeger was ik beter