» Links voor 17 april

Als The New York Times 60.000 print-abonnees omzet in abonnees voor hun iPad-app, dan riskeren ze 4,8 miljoen dollar print inkomsten te verliezen (Excel-bestand). Netto-opbrengst in zeer optimistisch scenario is 1,2 miljoen dollar per jaar.

Just like FT.com’s latest incarnation, it looks, well, a lot like the newspaper. PaidContent over de iPad-app van The Financial Times.

“This was a mistake that’s being fixed,” Mr. Jobs replied. iPhone-app van bekende cartoonist Mark Fiore zal toch worden goedgekeurd.

Tags allow (or force) what we might call the “Google solution”: let humans describe it in a way that makes sense to them, then sort it all out later algorithmically. Jonathan Stray reageert op “Tags don’t cut it” van Stijn Debrouwere.

In the entire 6-month period that @pbpSchools didn’t have a human behind the wheel, it got only 6 interactions (retweets and mentions) from followers.

Lance Armstrong gaat in zee met content farm Demand Media.

Binnenkort is er een conferentie over “Stretching Your News Budget with User Content”.

Nieuwe hyperlokale nieuwssite in Washington gaat mullet-achtige strategie toepassen: original reporting voor “the stuff everyone cares about”. Voor “the stuff that really matters to you because it happend a half-mile away”; combinatie van orignal reporting, aggregeren en data.

This is your industry and you will decide where it goes from here.

Thinking about, shouting at each other about, thinking some more about, shouting some more just in case one wasn’t understood during the first round of shouting, threatening in case the shouting wasn’t intimidating enough and then mostly waiting for someone else to try it first. Uitgevers leren niet uit de fouten van de muziekindustrie.

If you are a college graduate in journalism, you may land a job before you even leave the campus. Quotes uit een boek over journalistiek uit 1965.

» Links voor 13 april

CEO Eric Schmidt van Google sprak op de conferentie van The American Society of News Editors: Schmidt suggests a not-too-distant future where the next version of a news readers know not only who you are but where you’ve been—“the newspaper doesn’t realize whether I read it yesterday” and it will be more interactive and real-time, it will integrate everything.

The Chicago Tribune offert haar oude artikelen op in de zoekresultaten van Google bij breakings news. Tactiek van de verschroeide aarde.

Ik heb de toedracht hoogstwaarschijnlijk exclusief! Het motief is onduidelijk. Een export van een artikel naar de iPhone-app van De Volkskrant is een beetje fout gelopen.

Een Pullitzer kost 400.000 dollar.

Overzicht van de multimedia-verhalen bij de laureaten van de Pulllitzer-prijzen.

It’s why newspapers will continue to survive in some form,” Foster said of Gilbert’s reporting. “Nobody else is going to do this sort of reporting. Lokale krant The Bristol Herald wint een Pullitzer.

USA Today maakt gebruik van de “content farm” Demand Media voor een reisrubriek; niet iedereen is onder de indruk.

Op een iPad of een andere tablet heb je geen paginanummers meer: If, instead of trying to figure out what that scrollbar, that page number or that Street Fighter power bar could mean in terms of reading weight, you just look at the time read and time remaining and you know where you are.

Platform-agnostic content: print stories online without links.

Een beetje hoop voor ontslagen journalisten; het zijn goede scenaristen. The journalists won. They had an ear for naturalistic dialogue and they knew how to write concisely and tell stories with clear-eyed details, not evocative prose.

≈ Gezocht: passie

Ik heb onlangs We Feel Fine, an Almanac of Human Emotion gekocht. Zorgvuldig geaggregeerde of curated user generated content en infografieken in een prachtig vormgegeven boek. Meer heb ik niet nodig om overstag te gaan.

(Officiële embed met Amazon-link van http://wefeelfine.org.)

Since August 2005, We Feel Fine has been harvesting human feelings from a large number of weblogs. Every few minutes, the system searches the world’s newly posted blog entries for occurrences of the phrases “I feel” and “I am feeling”.

(…)

The result is a database of several million human feelings, increasing by 15,000 – 20,000 new feelings per day. Using a series of playful interfaces, the feelings can be searched and sorted across a number of demographic slices, offering responses to specific questions like: do Europeans feel sad more often than Americans? Do women feel fat more often than men?

(…)

At its core, We Feel Fine is an artwork authored by everyone. It will grow and change as we grow and change, reflecting what’s on our blogs, what’s in our hearts, what’s in our minds. We hope it makes the world seem a little smaller, and we hope it helps people see beauty in the everyday ups and downs of life.

Sinds kort is er in de online journalistiek een debat over het Grote, Alwetende Algoritme™, dat op basis van realtime zoekresultaten dicteert over welke onderwerpen journalisten moeten schrijven.

Een project zoals We Feel Fine, dat onmogelijk zou zijn geweest zonder algoritmes, geeft tegengas tegen de paranoia over een ‘slecht’ algoritme. De fout ligt niet bij de technologie, maar bij de mensen die technologie gebruiken.

De kunst van aggregeren

Een ander project dat het bewijs is dat aggregeren van andermans content meer kan zijn dan de som van het geheel, is Pictory. (Gemaakt in Django overigens.)

San Francisco – Pictory (20091222)-thumb

Pictory San Francisco.

Aggregeren is voor journalisten — als het al überhaupt wordt gedaan — nog al te vaak het archiveren en publiceren van interessante links, quotes, multimedia. Projecten zoals We Feel Fine en Pictory tonen aan dat het op een veel creatievere manier kan. Een manier die veel duurzamer is, dan het verzamelen van links.

Een reden waarom aggregeren zo moeilijk is voor (online) journalisten, is dat ze te weinig zijn gespecialiseerd in 1 onderwerp. De moderne journalist is een generalist, en moet van alles iets weten. Maar die expertise alleen is niet genoeg. Er moet ook passie zijn over het onderwerp:

Topic times voice. Or, if you’re a little bit more of a maverick, obsession times voice. So what does that mean? I think all of the best nonfiction that has ever been made comes from the result of someone who can’t stop thinking about a certain topic — a very specific aspect of a certain topic in some cases. And second, they got really good at figuring out what they had to say about it.

Daringfireball.net

Bovenstaand citaat is op veel zaken toepasbaar en zeker op online journalistiek. Het draait niet om de vorm (blogs, video, infografieken, link journalism), het draait om passie.

December 22nd, 2009  |  Published in ≈ Terzijdes
Tags: , , ,

≈ Het natte vingerwerk in de journalistiek

Ik denk dat deze post nog de sporen draagt van enkele weken mottigheid. Eigenlijk zou deze post in een 4-tal afzondelijke posts moeten uiteenvallen, maar er zit een logica achter. Althans, dat maak ik mezelf wijs. Misschien dat het therapeutisch werkt.

Het is precies een beetje ontspoord.

1. URL-verkorter

De Amerikaanse overheid heeft sinds kort haar eigen URL-verkorter in dienst genomen; go.usa.gov. Een URL-verkorter zoals bit.ly is enorm handig, ook voor de print:*

  1. Ze maken de, meestal, veel te lange links van items op mediasites korter. Duh.
  2. Ze leveren interessante statistieken op.

Verkorters zoals bit.ly leveren een machtige service, maar je houdt beter de verkorte links in eigen beheer. Het zou nogal pijnlijk zijn om in de print volop gebruik te maken van doorverwijzingen van bit.ly terwijl bit.ly op die dag een zware panne heeft of besluit de boeken neer te leggen.

Met andere andere woorden, je bouwt dus beter zelf een URL-verkorter. Gelukkig is dat blijkbaar een fluitje van een cent.**

Wat er nu vaak gebeurt, is het volgende: Aan een artikel in de print wordt een online verlengstuk gekoppeld; een foto-special, reactieformulier, polls, een uitgebreide versie van het artikel, etc… In het artikel wordt verwezen 1. met de url van de homepage, 2. met een handmatige aangemaakte verkorte url of 3. met een (verkorte) url van een rubriek (bv. site/uwmening).

  1. Ergens, en liefst above the fold, moet er een verwijzing staan naar dat item. Daarmee riskeer je dus een bos van buttons en links op uw homepage te creëren. En er zullen altijd bezoekers zijn die over de link zullen kijken.
  2. Vaak een tijdrovende procedure.
  3. Dat is vaak nog een elegante oplossing, meestal valt het aantal verwijzingen uit de print nog mee, zodat het nog redelijk overzichtelijk blijft.

Maar zelf die laatste oplossing heeft een serieuze handicap. Schatten hoeveel mensen nu effectief via de print op dat item komen, blijft min of meer natte vingerwerk. Op dat vlak heeft een eigen URL-verkorter met ingebouwde statistieken een serieus streepje voor.

2. Het buikgevoel

We vertrouwen in de (online) journalistiek nog al te vaak op ons buikgevoel. Bij wijze van spreken moet het zoontje van een hoofdredacteur nog maar net de controller van zijn Wii in de TV hebben gekeild, of er komt eerstdaags een artikel over het gevaar van de Nintendo Wii.

Nu, dat kan nog een leuke reportage opleveren. Het heeft grotere gevolgen als het buikgevoel het haalt op data bij de strategische keuzes van printmedia:

  1. Video: Printmedia zetten zwaar in op multimedia en daarmee bedoelen ze vooral video, en de hogere advertentietarieven die je daarvoor kan vragen. Ongetwijfeld kan je met 1 viraal videoclipje een maand of een week trafiek verzamelen. Maar het falen van een ambitieus project als 702.tv is een indicatie dat er toch best wat realisme aan de dag wordt gelegd.
  2. Paid Content: Ieder mediabedrijf breekt zich op dit moment het hoofd hoe ze bezoekers kunnen laten betalen voor inhoud zonder het bezoekersaantal te decimeren. Het is echter jammer dat veel van die motivaties beginnen met “de lezers betalen voor de print, mits de mogelijkheid zullen ze ook wel betalen op het web”, aangevuld met ruwe data uit een of ander internationaal marktonderzoek.

In mijn ogen is het gebrek aan betrouwbare data de grootste handicap voor een transitie van print naar online, en niet de dalende inkomsten of de technologische achterstand. We varen gewoon blind en kruisen onze vingers dat we niet tegen een ijsberg zullen botsen.

3. Meten is weten

Het globale beeld mag er dan nogal donker uitzien, op een lager niveau ziet het er al een stuk rooskleuriger uit. Via bezoekerstatistieken — dankzij Google Analytics zijn die al een pak toegankelijker geworden — kan een journalist nuttige feedback krijgen over de produceerde items. Zelf ben ik redelijk obsessief in het consulteren van de interne statistieken van de site(s) waar ik voor werk.

Maar je kan nog gedetailleerder te werk gaan. The Huffington Post heeft een mechanisme ontwikkeld waar ze quasi automatisch verschillende titels van een item test. Na een bepaalde tijd wordt de meest aangeklikte versie, de definitieve titel.

Eigenlijk zou je dit op bijna alles kunnen toepassen.

4. Dictatuur van de bezoeker

Het is een terechte vraag of een journalist die zich laat leiden door bezoekersdata, niet zijn onafhankelijkheid opgeeft. Anders gezegd, de computer dicteert de journalist.

Ik vrees dat die toekomst voor bepaalde soorten journalistiek er snel zal komen, zoniet er al is. Wired berichtte onlangs over Demand Media; een bedrijf dat stukken bestelt bij freelancers op basis van een algoritme.

Demand Media has created a virtual factory that pumps out 4,000 videoclips and articles a day. It starts with an algorithm.

The algorithm is fed inputs from three sources: Search terms (popular terms from more than 100 sources comprising 2 billion searches a day), The ad market (a snapshot of which keywords are sought after and how much they are fetching), and The competition (what’s online already and where a term ranks in search results).

Dat lijkt mij nu ook niet meteen een leefbaar model voor kwaliteitsjournalistiek. Maar ik ben liever niet blind voor bezoekersdata of negeer ze liever bewust dan dat ik me in onwetendheid wentel.

Een journalist krijgt zijn publiek door de onderwerpen van zijn stukken. Eens je je onderwerp — beat in het Engels — hebt gekozen, is er niks mis mee bezoekersstatistieken te gebruiken om je lezers nog beter te bedienen.

Ook als journalist heb je de plicht om na te gaan wat werkt en wat niet werkt.

Appendix

* Een tijd geleden waren URL-verkorters en het voordeel voor een betere interactie met de print, ook al het onderwerp van discussie. Mijn geheugen, liever gezegd mijn del.icio.us links, laten mij in de steek.

** Wat is er mis met een handmatig verkorte link aangemaakt door IT, of een functionaliteit om gewoon kortere URL’s (bv. /node/1123/) te maken in het cms? In het eerste geval is dat vaak te tijdrovend, in het tweede geval is dat vaak niet opportuun voor de leesvriendelijkheid van de URL. Hetzij voor de bezoeker, hetzij voor zoekmachines.

October 29th, 2009  |  Published in ≈ Terzijdes
Tags: , , , , ,

Filmpjes

Recente items


Over mezelf

Welkom op de persoonlijke website van Stijn F. Ik heb geschiedenis gestudeerd aan de Universiteit Gent en ik werk als journalist voor het financieel-economische weekblad Trends. Ik schrijf voornamelijk over technologie(bedrijven) en supermarkten.

Contact: stijnf apenstaart gmail punt com